18 februari 2018 ds. Matthijs Glastra


Het carnaval is gevierd, de veertig dagen naar Pasen zijn ingegaan. Op de eerste zondag in de Veertigdagentijd lezen we over de verzoeking in de woestijn. Dit jaar in de korte versie van Marcus 1: 9-15.
Ik moest denken aan een opmerking van de onlangs overleden Nico ter Linden. Hij was niet alleen een vertelkunstenaar, maar evenzeer een pastor voor iedereen die hij ontmoette. Over dat pastor-zijn heeft hij ooit gezegd: “Als pastor moet je vrije toegang hebben  tot je eigen ziel. Als je weet wat er bij jezelf speelt aan angsten, verdriet, zorgen en verlangen , weet je ook hoe dat bij mensen werkt”. Om de weg naar de ander te kunnen vinden, zal ik eerst de weg in en naar mijzelf gevonden moeten hebben.
Op de bodem van onze menselijke ziel kan het vreselijk spoken: angsten en driften, verlangens en ongeremde levenskracht. Daar is Jezus vanmorgen, bij zijn eigen ziel, bij wat hem drijft. De weg van een mens kent driften en diepten die ons verslinden, ontembaar, onberekenbaar: de wilde dieren. In onze ziel is er ook het verlangen naar vleugels om te mogen schuilen. Jezus loopt er niet voor weg. Of er omheen. Op de bodem van zijn ziel voelt hij: God wil bij de mensen zijn. “Ik zorg voor jou” en “onvoorwaardelijke liefde” zijn de kernwoorden voor de weg naar Pasen.
De symbolische bloemschikking is sober en beeldt de woestijn uit met zand, stenen en planten.
De cantorij zal zingen. En met ingang van deze zondag is er geen apart consistoriegebed meer, maar beginnen we de viering gezamenlijk.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.